Esperanto-grammatica

Zamenhof publiceerde deze zestien regels in 1887. Dat is de hele formele grammatica. Eenmaal leren; geen geheime uitzonderingenlijst.

Regel 1

Het alfabet

Esperanto heeft 28 letters. Geen Q, W, X of Y. Zes letters hebben een teken: ĉ, ĝ, ĥ, ĵ, ŝ, ŭ. Elke letter heeft één klank. Je leest zoals het geschreven staat.

ĉambro, ĝojo, ŝipo
kamer, vreugde, schip
Regel 2

Zelfstandige naamwoorden eindigen op -o

Elk zelfstandig naamwoord eindigt op -o. Meervoud krijgt -j: libro / libroj. Lijdend voorwerp krijgt -n: Mi legas libron.

hundo, hundoj, hundon
hond, honden, hond (voorwerp)
Regel 3

Bijvoeglijke naamwoorden eindigen op -a

Bijvoeglijke naamwoorden eindigen op -a en volgen getal en naamval: bona libro, bonaj libroj, bonan libron.

granda urbo / grandajn urbojn
een grote stad / grote steden (voorwerp)
Regel 4

Telwoorden veranderen niet

Grondgetallen veranderen niet: unu, du, tri, kvar, kvin, ses, sep, ok, naŭ, dek. Geen -j of -n. Rangtelwoorden krijgen -a: unua (eerste), dua (tweede).

du bonaj libroj · la unua tago
twee goede boeken · de eerste dag
Regel 5

Voornaamwoorden

mi (ik), vi (jij/u), li (hij), ŝi (zij), ĝi (het), ni (wij), ili (zij), oni (men), si (zich). Bezittelijk: -a, mia libro.

Mia amiko vidas ŝin.
Mijn vriend ziet haar.
Li vidas sin. Li vidas lin.
Hij ziet zichzelf. Hij ziet hem (een ander). si is altijd het onderwerp; li iemand anders.
Regel 6

Werkwoorden: één vorm voor iedereen

Werkwoorden veranderen niet per persoon. Infinitief -i, tegenwoordig -as, verleden -is, toekomst -os, voorwaardelijk -us, gebiedend -u.

Mi lernas. Ili lernis. Ni lernos.
Ik leer. Zij leerden. Wij zullen leren.
Mi volas lerni. Ŝi povas veni.
Ik wil leren. Zij kan komen. Na een ander werkwoord blijft -i.
Regel 7

Bijwoorden eindigen op -e

Van bijvoeglijk naamwoord naar bijwoord met -e: bona / bone. Vergelijking: pli bone, plej bone.

Ŝi parolas bone kaj rapide.
Zij spreekt goed en snel.
Regel 8

Voorzetsels nemen de nominatief

Na een voorzetsel gebruik je de basisvorm zonder -n: en la urbo (in de stad), kun amiko (met een vriend). Uitzondering bij beweging: en la urbon (de stad in).

Mi estas en la urbo. Mi iras en la urbon.
Ik ben in de stad. Ik ga de stad in.
Regel 9

Elk woord wordt gelezen zoals het geschreven is

Geen stomme letters, geen verrassingen. Zie je het woord, dan kun je het zeggen.

kaj, tre, hodiaŭ
en, zeer, vandaag — precies zoals gespeld
Regel 10

De klemtoon valt op de voorlaatste lettergreep

Altijd de voorlaatste: ra-PI-da, es-pe-RAN-to. Eén regel voor elk woord.

Esperanto, familio, lerni
es-pe-RAN-to, fa-mi-LI-o, LER-ni
Regel 11

Samenstellingen zijn helder opgebouwd

Bepaling eerst, hoofdwoord laatst: vaporŝipo. Nieuwe woorden zijn te raden.

lernolibro, noktmezo, bonvena
leerboek, middernacht, welkom
Regel 12

Geen dubbele ontkenning nodig

Eén ontkennend woord is genoeg. Mi scias nenion betekent „ik weet niets”. Stapel ne en een andere ontkenning niet, tenzij je de betekenis wilt omkeren.

Neniu venis. Mi ne komprenas.
Niemand kwam. Ik begrijp het niet.
Regel 13

De accusatief toont richting

-n voor beweging: Mi iras hejmen. Plaats zonder -n: Mi estas hejme.

Ni veturas Londonon. Ni loĝas en Londono.
We reizen naar Londen. We wonen in Londen.
Regel 14

Elk voorzetsel heeft een duidelijke betekenis

al (naar), de (van), en (in), kun (met), por (voor), pri (over), sur (op), sub (onder). Past niets, dan je. Je kunt ook het voorzetsel weglaten en -n gebruiken.

Mi parolas pri Esperanto kun vi.
Ik spreek over Esperanto met jou.
Regel 15

Internationale woorden blijven herkenbaar

Gedeelde woorden blijven herkenbaar: teatro, muziko, telefono. Je kent al meer dan je denkt.

universitato, muziko, telefono
universiteit, muziek, telefoon
Regel 16

Het lidwoord is altijd la

Eén bepaald lidwoord: la. Het verandert nooit. Geen onbepaald lidwoord. Libro kan “een boek” zijn.

La suno brilas. Infano ludas.
De zon schijnt. Een kind speelt.

Voorbij de 16 regels

Volgende: Correlatiefwoorden