Leer Esperanto

Vierentwintig korte lessen. Lees hardop. Vertaal niet eerst in je hoofd. Elke les hergebruikt gisteren woorden en voegt één hulpmiddel toe.

Les 1

Eerste zinnen

Begroet iemand en zeg met esti wie je bent.

Volgende →
Les 2

Zelfstandige naamwoorden en la

Dingen noemen met -o en het ene lidwoord la.

Volgende →
Les 3

Bijvoeglijke naamwoorden volgen

Beschrijven met -a; getal later met -j.

Volgende →
Les 4

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

-as voor iedereen, infinitief -i na een ander werkwoord.

Volgende →
Les 5

De accusatief -n

Het lijdend voorwerp markeren zodat de volgorde vrij is.

Volgende →
Les 6

Voornaamwoorden

Gebruik mi, vi, li, ŝi, ĝi, ni, ili, oni — en si voor “zich”.

Volgende →
Les 7

Het meervoud -j

-j aan zelfstandige naamwoorden en hun bijvoeglijke.

Volgende →
Les 8

Van mij, van jou en mal-

Bezittelijk met -a, omdraaien met mal-.

Volgende →
Les 9

Verleden, toekomst, bevel

Tijd wisselen met -is, -os, -us, vragen met -u.

Volgende →
Les 10

Voorzetsels en richting

Plaatsen met al, de, en, kun, por; beweging met -n.

Volgende →
Les 11

De correlatieftabel

Vragen en wijzen met ki-, ti-, i-, ĉi-, neni- plus negen uitgangen.

Volgende →
Les 12

Woorden bouwen, dan spreken

Affixen op een stam stapelen en een eerste echt gesprek voeren.

Volgende →
Les 13

Vergelijking: pli, plej, ol

Zeg 'meer', 'meeste' en 'dan' zonder onregelmatige bijvoeglijke naamwoorden.

Volgende →
Les 14

Deelwoorden: -anta, -inta, -onta

Verander een werkwoord in een bijvoeglijk naamwoord van tijd: doen, gedaan hebben, op het punt staan te doen.

Volgende →
Les 15

Passief: -ata, -ita, -ota

Zeg dat er iets wordt gedaan, is gedaan of zal worden gedaan.

Volgende →
Les 16

Relatieve bijzinnen met kiu

Voeg twee feiten samen met kiu, kio, kies en kie zonder de woordvolgorde te veranderen.

Volgende →
Les 17

Want, hoewel, en dat

Build longer sentences with ĉar, kvankam, dum, ĝis, and ke.

Volgende →
Les 18

Dagen, maanden en de klok

Noem weekdagen, maanden en kloktijd met rangtelwoorden.

Volgende →
Les 19

Winkelen en geld

Vraag een prijs, koop iets en tel geld met de accusatief.

Volgende →
Les 20

Reizen: tickets, hotels, vliegtuigen

Boek een kamer, zoek een perron en praat over vertrek en aankomst.

Volgende →
Les 21

Gezondheid en het lichaam

Zeg wat pijn doet, vraag om een ​​dokter en gebruik mal met sano.

Volgende →
Les 22

Werk en beroepen

Name jobs with -ist and -ul, and talk about the working day.

Volgende →
Les 23

Gerapporteerde toespraak

Rapporteer wat iemand zei of vroeg, zonder nieuwe spanningsladder.

Volgende →
Les 24

Woordvolgorde en een natuurlijke stem

Move a word for emphasis, use ja and ĉi, and speak in whole thoughts.

Volgende →

Na les 24

Je hebt het skelet. Blijf bouwen met boeken, sprekers en dagelijkse zinnen.